Vanaf zaterdag 7 oktober tentoonstelling 'Antoine Mes 90'!

Heel de wereld trekt naar Veere

Bovenstaand citaat uit 1921 van de letterkundige dr H.P.Ritter jr. (1882-1962) mag u best letterlijk nemen. Hij schreef dit in zijn boek ‘Zeeuwse Mijmeringen’ toen Veere een ongekende bloeiperiode als stad van kunst en cultuur doormaakte. Nu is het ook de titel van een bestseller van Kees Leeman. Conservator kunstexposities Joost Bakker vertelt over Veere’s roemrijke kunstenaarskolonie.

Ten onrechte is Veere aan het begin van deze eenentwintigste eeuw zo goed als vergeten als kunstenaarskolonie. Reeds in de vijftiende eeuw was Veere een aanzienlijke en welvarende stad met een rijk kunst- en cultureel leven. De achttiende eeuw luidde het eind van deze periode in. Op het dieptepunt van het verval, zo rond 1870, openbaarde zich de eerste tekenen van herstel. Kunstenaars en kunstminnende toeristen wisten Veere opnieuw te vinden. Kort na 1890 vestigden zich weer beeldende kunstenaars in het stadje. In de periode 1890 tot 1970 hebben meer dan 650 kunstenaars, maar ook dichters, schrijvers en musici in Veere gewoond en/of gewerkt. De Veerse kunstenaarskolonie was sterk internationaal getint. Kunstenaars uit vele Europese landen, maar ook daarbuiten, maakten er deel van uit.

Hoewel in Veere kunstenaars van internationale- naam en faam gewerkt hebben, is Veere zeker in Nederland relatief onbekend als kunstenaarskolonie gebleven. Veere had de pech in de directe nabijheid van het kunsthistorische veel interessantere Domburg te liggen. Daar kwamen de toenmalige vernieuwers tussen 1911 en 1921 zomers samen onder de bezielende leiding van JAN Th.TOOROP (1858-1928).

Op een enkeling na waren de in Veere wonende/verblijvende kunstenaars van een traditionele aard. Bijna allen waren zij individualisten in hun werk, met slechts één onderlinge band: allen leden zij aan die zoete ziekte die ‘Veerisme’ heet, een ongeneeslijke verliefdheid op het stadje Veere.

De belangrijkste jaren van de Veerse kunstenaarskolonie liggen tussen 1900 en 1940, met als middelpunt in de eerste decennia van de twintigste eeuw De Schotse Huizen met haar bewoners de Engelse mecenas en kunstverzamelaar Albert Lionel Ochs(1857-1921) en zijn dochter Alma (1889-1987). Zij waren samen, met de bekende en gevreesde kunstcriticus Albert Ch. A. Plasschaert (1874-1941) de stuwende krachten die de Veerse kunstenaarskolonie toen nationale- en internationale bekendheid gaven, door ondermeer vanaf 1916 verkoopexposities in de Schotse Huizen te organiseren.

Na de Tweede Wereldoorlog zou Veere als kunstenaarscentrum blijven bestaan, met gemiddeld een tiental kunstschilders binnen haar stadsgrenzen en jaarlijks, vooral in de zomerperiode, veel passerende kunstenaars, de zogenaamde passanten, die toch éénmaal in Veere geschilderd moesten hebben. De sluiting van het Veerse gat in april 1961, luidde langzaam maar zeker het einde van de Veerse kunstenaarskolonie in. Veere was voorgoed van haar artistieke levensader, de zee met haar eb en vloed, afgesloten. De kleurrijke vissersvloot, dagelijks een bron van inspiratie, werd vervangen door saaie recreatievaart. Samen met deze boeiende onderwerpen verdwenen ook langzaam maar zeker de kunstschilders uit het Veerse stadsbeeld. Zij kwamen zomers niet meer op bezoek of vestigden zich er niet meer.

Met het overlijden van de Veerse Joffer SÁRIKÁ GÓTH (1900-1992) kwam er voorgoed een einde aan de ‘oude’ Veerse kunstenaarskolonie. Nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw wonen er weer een tiental beeldende kunstenaars binnen de oude Veerse stadsgrenzen, een hoopgevend begin voor een ‘nieuwe’ Veerse kunstenaarskolonie.

Joost J. Bakker

(Joost Bakker is conservator kunstexposities in Museum De Schotse Huizen en tevens eigenaar van Galerie De Vier Gemeten in Middelburg)